Chinezen

In de omgeving van de West-Kruiskade is een concentratie van Chinese toko’s, winkels, restaurants en Chinese verenigingen. Vanaf het begin van de vorige eeuw wonen Chinezen in Rotterdam. Deze gesloten gemeenschap vestigde zich destijds in Katendrecht. De laatste jaren laten deze stadsbewoners steeds meer van zich horen. Om hun achtergrond beter te begrijpen, volgt eerst een beschrijving van de kleurrijke geschiedenis van hun herkomstland.

Image

Geschiedenis China

China kent een zeer oude beschaving. Vlakbij Peking zijn 250.000 jaar oude overblijfselen van oermensen gevonden. In 3000 v. Chr. was China een agrarische samenleving. De goed gestructureerde Sjang-dynastie (1523-1027 v. C.) betekende het einde van de Chinese prehistorie en het begin van grote culturele bloei. Na de Sjang-dynastie volgden andere dynastieën en periodes van politieke verdeeldheid elkaar op.

Chinese contacten

In de Europese Middeleeuwen ontstond er intensief handelsverkeer langs de karavaanroutes naar het Westen en de Chinese steden. De Chinezen liepen in hun ontwikkeling voorop. De periode 900-1200 was heel belangrijk voor de Chinese beschaving. Architectuur, schilder- en dichtkunst en handwerk (porselein en brokaat) bereikten een grote hoogte. Ook de boekdrukkunst werd uitgevonden. Door de bloeiende handel werd Kanton een belangrijke havenstad en er kwam geld in omloop.

Mongoolse overheersing

Image
Djengiz Kahn (1167-1227), stichter van het Mongoolse wereldrijk.
De eerste bedreiging voor China kwam over land. Onder leiding van Djengiz Kahn (1206-1229) en Koebilai Kahn (1260-1294) wisten Mongoolse nomaden in de 13e eeuw een gebied te veroveren dat zich uitstrekte van het Donaubekken tot de Stille Oceaan. Koebilai Kahn veroverde China, verplaatste de hoofdstad van Karakoroem naar Peking en liet zichzelf tot keizer kronen. Het Mongoolse Juan-bewind onderhield goede contacten met het Westen. Chinese uitvindingen zoals het buskruit, het kompas en de boekdrukkunst vonden in de Juan-periode (1279-1368) hun weg naar het Westen. De Chinezen integreerden Westerse technieken, materialen en ideeën, zoals edelsmeedkunst. Marco Polo bezoekt in deze periode China.

Ming-dynastie (1368-1644)

De Mongoolse overheersers brachten niet alleen voorspoed, want deze nomaden ruïneerden de Chinese agrarische samenleving. Boeren moesten willekeurig belasting betalen en bouwland veranderde in grasland. In 1355 viel na een Nationaal-Chinese opstand de Mongoolse Juan-dynastie; deze werd opgevolgd door de Ming-dynastie. In de Ming-periode werd veel van China dat door de Mongolen was vernield, gerestaureerd en legde men erg de nadruk op het eigen verleden. De daarop geïnspireerde opvattingen over staat en samenleving hadden een conservatieve en isolerende uitwerking op China ten opzichte van het Westen.

Migratie naar Zuidoost-Azië

Er was tijdens de Ming-periode wel enig contact met het buitenland. Van 1405-1433 maakte Tsjeng Ho, admiraal in dienst van de keizer, meerdere grote zeereizen naar Zuid-Azië en Oost-Afrika. In deze landen legde hij belangrijke culturele contacten. Reeds in de 15e eeuw bouwden de Chinezen in Zuidoost-Azië een aanzienlijke handelspositie op en kwam er vanuit de zuidoostelijke provincies van China geleidelijk een migratiestroom naar Zuidoost-Azië op gang.

Westers contact

Image
Fort Zeelandia was een Nederlands fort gebouwd op het Chinese eiland Formosa (het huidige Taiwan). In de zeventiende eeuw dreef de Vereenigde Oostindische Compagnie hier handel met China.
In de zestiende eeuw ontdekten de Europese handelscompagnieën China. De houding van de Chinezen tegenover de vreemdelingen was tweeledig. De traditiegetrouwen stonden afwijzend, maar in de kuststeden bloeide de handel. Het centrale gezagspatroon werd ontregeld doordat titels die eerder alleen middels examens te halen waren, nu ook te koop waren. Zo wisten vertegenwoordigers van de ondernemende sociale groepen door te dringen tot de elite. De Mingdynastie kwam in 1644 door langdurige rebellie en militaire intriges ten val.

Tj’ing-dynastie (1644-1912)

De Mantsjoes uit het Noordoosten veroverden de troon en vestigden de Tj’ing-dynastie. De eerste Tj’ing-keizers breiden hun machtsgebied uit met de rest van China, Mongolië, Tibet, Chinees Toerkestan en Annam. Nadat in 1683 de laatste vertegenwoordiger van de Mingdynastie in Taiwan (het eiland Formosa) overleed, voegden zij ook dit eiland aan China toe.Tot eind 19e eeuw was er een periode van betrekkelijke rust in China, ondanks de etnisch-raciale tegenstellingen die door Mantsjoe-maatregels werden veroorzaakt. Gemengde huwelijken tussen Mantsjoes en Chinezen waren bijvoorbeeld verboden.

Steeds meer Chinezen

Een lange periode van rust en orde in de Tj‘ing-periode bracht een enorme economische vooruitgang. De bevolking kon hierdoor geweldig toenemen, van 60 miljoen in 1600 naar 150 miljoen in 1750 en ruim 400 miljoen in 1850. Het landbouwareaal kon deze enorme bevolkingsgroei niet aan. Toenemende verstedelijking en hoge belastingdruk op de boeren veroorzaakten verpaupering van het Chinese volk. Terwijl de Industriële Revolutie Europa nieuwe expansiemogelijkheden bracht, verstarde China op economisch, cultureel en ideologisch gebied en zag zich geconfronteerd met een economisch-technisch superieur Westen.

Gebroken isolement

Juridische en diplomatieke moeilijkheden met het Westen stapelden zich op. De Engelse invoer van opium uit India naar China was aanleiding voor een reeks opiumoorlogen tussen China en Engeland. Bij de verdragen van Nanking (1842) en T’ièn-tsin (1860) werd China gedwongen Hong Kong aan Engeland af te staan, verdragshavens te openen, vrije scheepvaart op de Jangtse toe te staan en missionarissen toe te laten. China werd zo opengebroken uit zijn isolationisme. Onderling verdeelden de Westerse machten invloedssferen in het land, dat dankzij imperialistische wedijver aan totale kolonisatie ontkwam. Sjanghai was zo’n verdragshaven, die werd bestuurd door Westerse koloniale machten. Elders in China ontstonden in deze periode volksopstanden. De Tj’in-dynastie kon alleen door Westerse steun aan de macht blijven.

Hervormingen

In 1895 leed China een gevoelige nederlaag tegen buurland Japan dat zich wel naar Westerse maatstaven had gemoderniseerd. Als gevolg daarvan moest China Taiwan afstaan. Chinese intellectuelen en politici die van mening waren dat de westerse techniek en economie niet mochten worden genegeerd, kwamen in actie en bereikten dat in 1898 de jonge keizer Kwang-siu per decreet een hele reeks hervormingen afkondigde. Scholen, het bestuursapparaat, mijnbouw, transport, landbouw, handel en industrie moesten worden gemoderniseerd. Helaas mislukten de pogingen om China van bovenaf te hervormen doordat de keizerin-weduwe, de weduwe van een voormalige keizer, de huidige keizer gevangen liet zetten en de hervormingen herriep. De ondergang van het oude systeem was niet meer te stuiten.

Revolutie

Image
De laatste keizer van China Xuantong (1905-1967) kwam op driejarige leeftijd op de troon en werd vier jaar later gedwongen af te treden.
De situatie in China werd steeds onrustiger. Niet alleen traditionele politieke doelstellingen zoals omverwerping van de (Mantsjoe) dynastie en herverdeling van het land onder de boeren werden nagestreefd. Men wilde tevens de absolute macht vervangen door een republiek en in plaats van de ambtenarenstaat een liberale democratie vestigen. Massale hongersnoden verergerden de onrust en gaven aanleiding tot herhaalde lokale opstanden. De lang voorbereide revolutie kwam uiteindelijk op 10 oktober 1911. Tien provincies en de hele vloot kozen voor de revolutionairen. Op 12 februari 1912 trad de laatste keizer gedwongen af en werd door Generaal Juan Sje-k’ai de republiek uitgeroepen.

Chinese migratie

De eerste Chinese migratiestroom was gericht op Zuidoost-Azië waar in de 15e eeuw de eerste handelscontacten werden gelegd. Na de opiumoorlogen werden in 1842 bestaande belemmeringen voor emigratie opgeheven en werd China toegankelijk voor buitenlandse werkgevers op zoek naar goedkope arbeidskrachten. De politieke onrust en economische crisis in China motiveerden veel Chinezen om een buitenlands contract te aanvaarden. Deze contractarbeiders werden koelies genoemd. Zo ontstond de koeliehandel. Chinese arbeiders werden geworven om in de Europese kolonies, Australië en Amerika te werken. Door de koeliehandel ontstonden er in Noord-Amerika eind 19e eeuw met name in Californische steden grote ‘Chinatowns’ waar wasserijen en eethuizen waren en Chinese handelaren heersten. De ontdekking van goud in Amerika had een grote aantrekkingskracht op de Chinezen, evenals de uitbreiding van bouwland en mijnen in Indië en de Filippijnen. Het begrip Chinatown komt uit deze periode, toen grote Amerikaanse steden overspoeld met immigranten uit China. Deze immigranten gingen gauw bij elkaar  wonen in zogenaamde Chinatowns, de Chinese wijken. Over de vrijwilligheid van deze opeenhoping van Chinezen kan getwist worden

Europa

In Engeland vestigden zich in de 19e eeuw kleine aantallen Chinese zeelieden in een paar havenplaatsen. In 1900 woonden er in totaal ongeveer 400 Chinezen in Engeland. De vroegste Chinese immigranten waren zeelieden die eind 19e eeuw aankwamen op schepen die heen en weer voeren tussen Europa en Nederlands-Indië. Wanneer ze hier bleven waren zij voor de tweede maal immigrant: voordat ze naar Nederland kwamen, migreerden ze eerst vanuit Zuid- en Oost-China naar het toenmalige Nederlands-Indië.

Migratie naar Nederland

De vroegste migranten uit China waren zeelieden uit Guangdong. Zij werden in 1911 door Nederlandse reders in Engeland geronseld. Ze waren nodig om tijdens de staking van Nederlandse zeelieden (voor betere arbeidsvoorwaarden en meer loon) de Nederlandse schepen in de vaart te  houden. Door de inzet van Chinezen mislukte de staking. Dit maakte de bonden woedend. Zij werden nog kwader toen de reders vervolgens weigerden om de Chinezen te ontslaan en de stakers terug te nemen. Deze Chinese zeelieden pikten werkplekken in en waren ook nog tevreden met minder loon. Het klimaat waarin de eerste Chinezen naar de Rotterdamse havenwijk Katendrecht kwamen, was dus niet bepaald vriendelijk.

    Chinese winkel Atjehstraat 1927

Meer Chinezen in Nederland

Tot 1918 waren er maar weinig Chinezen in Nederland, daarna begon hun aantal te stijgen. Chinezen die tijdens de Eerste Wereldoorlog op de Britse handelsvloot hadden gewerkt werden ontslagen om plaats te maken voor ex-militairen. Deze Chinezen trokken naar Rotterdam, een centrum van de internationale zeevaart. De stad was dus zeer geschikt om tussen af- en aanmonstering te wonen, mede omdat de Nederlandse immigratievoorschriften ruim konden worden opgevat. Er was veel vraag naar Chinese zeelieden. Volgens de reders waren zij zeer geschikt voor het zware werk als stoker, omdat zij door hun tropische afkomst vaak goed tegen de hitte konden. Andere voordelen: Chinezen werkten hard, klaagden nooit en waren met veel minder loon tevreden dan hun Nederlandse collega’s.

Shippingmasters

In deze periode opende een Chinese koopman op Katendrecht een sigarenzaak, deze winkel werd  binnen korte tijd het eerste Nederlandse wervingsbureau voor Chinese zeelui. Ook andere wervers van Chinese zeelieden vestigden zich op Katendrecht. De wervingsagenten, shippingmasters genoemd, kwamen vaak uit Engeland. In ruil voor een provisie per bemanningslid, leverden de wervers complete ploegen Chinese bemanning aan reders. De bemiddelde Chinezen moesten de agent ook een bemiddelingbedrag betalen, dat kon oplopen tot een maandsalaris. Het systeem was uitstekend geschikt voor mensenhandel.

Logementzetbazen

    Boardinghouse in de Delistraat

De shippingmasters waren vaak ook eigenaar van boardinghouses; huizen waar de Chinezen woonden wanneer zij niet op zee waren. Voor een huur van 25 tot 40 gulden per maand kregen de Chinese mannen in deze huizen onderdak en voeding. Ook op dit gebied buitten shippingmasters de zeelui uit, ze sliepen opeengepakt in een kleine ruimte en kregen minimaal en zeer goedkoop voedsel. De logementzetbazen betaalden de Nederlandse huisbaas maar weinig huur en werden voor de crisisjaren snel rijk van hun praktijken. Jaarsalarissen van 20.000 gulden waren gebruikelijk en de zetbazen hadden een zeer luxueuze levensstijl. In de crisisjaren leden sommige wervers echter ook grote verliezen. Ze boden tientallen zeelieden op krediet kost en inwoning. Vaak konden de  zeelieden deze schulden niet aflossen. De wervers waren echter door hun praktijken zo rijk geworden dat ze meestal deze verliezen konden lijden.

Vreemdelingen

Chinezen bleven totaal afhankelijk van de wervers. Ze werden door de Nederlandse overheid als tijdelijk in Nederland verblijvende vreemdelingen beschouwd en kregen geen verblijfsvergunning. Men kon dus niet aan de wal gaan werken. De Chinese mannen droomden van een terugkeer met een goed gevulde portemonnee. Deze droom bleef meestal onbereikbaar, omdat de terugtocht niet te betalen was.

Katendrecht-Chinatown

Rond 1922 woonden er naar schatting 440 Chinezen in logementen op Katendrecht. Samen met hun landgenoten in dienst van de Rotterdamse Lloyd, die woonden in een wooncomplex van deze reder, vormden zij een Chinese gemeenschap van ongeveer 800 mensen. In Rotterdam woonden ook Javanen, Noren en Grieken, maar de populatie Chinezen was veruit het grootste. Al snel werd Katendrecht het Chinatown van Rotterdam genoemd.

    Chinese garage Lombokstraat


Bootjeschinezen

De Katendrechtenaren vonden de ‘bootjeschinezen’, zoals zij de Chinezen noemden, rustige buren. De oosterse medebewoners gingen keurig gekleed, waren beleefd en op zichzelf. Zij hadden eigen toko’s, kapperszaken, wasserijen, drogisterijen, loterijen, speelhuizen en eethuizenDe Chinezen die aan wal werkten, de eigenaren van winkels en het personeel in deze zaken, verloren gaandeweg hun banden met het moederland. De walbewoners hadden soms contact met de Katendrechtenaren. Enkele Chinezen trouwden een Katendrechtse -Chinese vrouwen waren er niet- en stichtten een gezin. Er waren dus enkele uitzonderingen, maar over het algemeen hadden de Rotterdammers en Chinezen weinig contact.

  

Deze Chinese man met kind is een uitzondering               Een Chinese opiumgebruiker

Opiumgebruik

Binnenskamers waren sommige Chinezen in onze hedendaagse ogen minder keurig, omdat zij opium gebruikten. Onder Chinezen in Zuid-China was het roken van opium wijdverbreid, maar ook onder de landgenoten in Nederland was deze gewoonte in zwang. Opium gebruiken was tot 1919 geen enkel probleem, maar na die datum is bereiding, bezit en vervoer van deze geestverruimende stof bij de wet verboden. Handhaving van deze wet ging pas in 1921 daadwerkelijk van start.

Chinese stokers en tremmers

In 1929 werkten er ruim 3200 Chinezen als stoker, tremmer (steenkolensjouwers) of matroos op Nederlandse schepen. Ruim 75% van de Chinese zeelui werkte in de machinekamer. Het was zwaar werk. Bij een temperatuur die kon oplopen naar 55 °C moesten de stokers per uur een ton kolen op het vuur gooien om de vuren brandend te houden. De tremmers sjouwden met zware onhandige kruiwagens de steenkolen uit de bunkers naar de ruimte van de brandende stoomketels. Vooral op lange reizen naar de Oost moest de tremmer steeds verder lopen van de opslag naar de stookplaats.
Door het ontbreken van ventilatie en opdwarrelend stof was de atmosfeer in de bunkers verstikkend. 

Arbeidsomstandigheden

De mannen uit de machinekamer waren vaak op hun 35e al versleten. Toen de vakbonden deze misstanden aankaartten, werden ze door de reders nauwelijks serieus genomen. Men voer met Chinese arbeidskrachten omdat die de helse omstandigheden in de machinekamer van huis uit gewend waren. Dat de Aziaten ook al werden uitgebuit door wervers ging de reders niets aan, ze maakten gretig gebruik van de diensten van de shippingmasters.

Minder werk

Tot eind jaren twintig was er voor Chinezen voldoende werkgelegenheid. Daarna verslechterde de situatie. Door technologische vooruitgang konden stoomschepen worden vervangen door oliestokende schepen of motorschepen, waardoor in de machinekamer minder personeel nodig was. Veel Chinese stokers werden ontslagen. Tegelijkertijd raakte de Nederlandse koopvaardij door de economische crisis in 1929 in moeilijkheden. De tonnage van de handelsvloot nam 25% af en er vielen extra ontslagen. Werkloze Chinezen hadden in Rotterdam de meeste kans op nieuwe banen en bleven op Katendrecht wonen. Binnen vier jaar groeide de Chinese populatie in Rotterdam van 534 personen in 1929 naar ruim 1.100 in 1933. Katendrecht was de grootste Chinese kolonie van het land, Amsterdam bezette met haar ongeveer 300 Chinese inwoners de tweede plaats.

Pinda, Pinda, lekka, lekka

Tijdens de crisis verslechterde de leefsituatie van de Chinezen op Katendrecht. Een marskramer startte een handel in ‘teng teng’. Deze pindakoekjes werden gemaakt van pinda’s en suiker en waren heel populair in China. De pindahandel was voor veel werkloze Chinezen een mogelijkheid aan hun ellende te ontsnappen. De koekjes, 5 cent per zak, vielen bij het publiek niet in de smaak. De Chinese venters waren echter zielig en nieuw en kregen in het begin daardoor zoveel giften dat zij redelijk konden rondkomen. Steeds meer Chinezen stapten in de pindakoekjeshandel. Op zoek naar nieuwe afzetgebieden verspreidden zij zich in korte tijd over heel Nederland. Over deze reizende Chinese pindakoekjesverkopers is zelfs een straatlied gemaakt.


Pinda pinda lekka lekka

‘k Kom van het and’re eind der aard, 
M’n boot haalden ze uit de vaart
Toen hingen ze me doodbedaard
Die trommel voor m’n buik
Ze zeiden mij: Ga nu maar door,
En vraag er dan vijf centen voor,
Toen zat ik in de fuik:
‘k Verkocht m’n eerste pakje dra
Die stuiver had ik vlug
Maar ‘k gaf toen in m’n zenuwen,
Een dubbeltje terug

Refrein:
Pinda Pinda Lekka Lekka
Al je maar vijf centen biedt
Pinda Pinda Lekka Lekka
Of je kouwen kan of niet
‘k Sta en dommel bij m’n trommel
Tot ik uit m’n jasje waai
Van Teng Teng Teng,
Van je Tang Tang Tang
Sjiede Wiede Wiet Shanghai

Ik hou heel Ho’land, kort en goed,
Nou met m’n pindapakjes zoet
Waarvan ikzelf niks hebben moet
De zaak is: ik verdien
‘k Vertel het U nu zoo gerust
Ik ben mezelf maar niet bewust
Hoe U die zoete rommel lust
Ik kan ze zelf niet zien
Op apennootjes zij z’ hier dol
Wanneer ik dat bekijk
Kom ik tot de conclusie
Darwin had toch gelijk

’n Pindaman werd heel wat mans
De held van dezen tijd althans
‘k Heb bij de mooiste meisjes sjans
Dat is echt naar m’n zin
De jas die voor me voerschoot
Hangt om m’n lijf als een blok lood,
En is m’ een maat of tien te groot
Daar voel ‘k me eenzaam in
En ga ‘k naar China weer terug
Waar ‘k elken dag naar snak
Hebt U de Pindaziekte
Ik, de centen in m’n zak
 

Een ‘Chinezenprobleem’

De handel in pindakoekjes was enkele jaren succesvol maar verslechterde toen de economische crisis bleef aanhouden. De pindakoekjesventerij werd een probleem.  De Vreemdelingendienst zag het als bedelnegotie (bedelhandel) en had bezwaar tegen de verspreiding van Chinezen over heel het land. Initiatieven vanuit de bevolking om de Chinezen te ondersteunen mochten niet baten en er werd een ambtelijke oplossing voor het ‘Chinezenprobleem’ bedacht. Vanaf 1936 werden oude en arme Chinezen naar Hong Kong getransporteerd. De overheid betaalde de reis, die werd verzorgd door de Rotterdamse Lloyd. Toen de Duitsers in 1940 de havens afsloten woonden er nog 200 Chinezen op Katendrecht. Zij waren niet langer tijdelijke vreemdelingen, maar Katendrechtenaren.

Qingtianners

Naast de Chinese zeelieden, kwamen er ook andere Chinese migranten via andere wegen in Europa terecht. Qingtianners uit de provincie Zhejiang werkten tijdens de Eerste Wereldoorlog in de Franse munitiefabrieken. Deze groep van ongeveer 100.000 mensen moest na de oorlog repatriëren. Enkelen vestigden zich echter blijvend in de grote Franse steden en migreerden daarvandaan naar andere Europese landen. In China leefden Qingtianners van straatventerei en kleine handel en ook in Europa leefden ze van kleine handel. Al dan niet bewerkte zeepsteen uit Qingtian was hun voornaamste handelswaar.

Wenzhouers

Chinese boeren uit de provincie Wenzhou kwamen al voor de Tweede Wereldoorlog naar Europa. Men emigreerde toen als gevolg van de opkomende industrialisatie de landbouw sterk onder druk kwam te staan. De boeren vestigden zich in Frankrijk verhuisden daarvandaan onder andere naar Nederland. Deze groep marskramers voorzag vaak moeilijk in hun onderhoud.

Textielchinezen

Een derde categorie Chinezen verdienden hun geld in de textielbranche. Enkele kooplieden uit de Noord-Chinese havenplaats Tse Fe vestigden zich in Nederland. De moederbedrijven die de filialen subsidieerden, verstrekten hun producten op krediet en stuurden handelsreizigers die de textiel moesten verkopen. Deze handelsreizigers werden goed betaald en bleven maximaal vijf jaar in Nederland. De groep was niet groot: begin jaren dertig waren er ongeveer 60 handelsreizigers actief in Nederland.

    Boek uit de jaren dertig

Studenten

Uit Nederlands-Indië afkomstige studenten van Chinese herkomst vormden de vierde relatief grote groep Chinese migranten die zich ruim voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland vestigden. Dit zijn de kinderen van de Peranakan Chinezen die na de Tweede Wereldoorlog in grote getale naar Nederland zijn gekomen. Peranakan Chinezen zijn afstammelingen van Chinezen die zich in vanaf de 15e eeuw in de Indische archipel hebben gevestigd en zich daar vermengd hebben met de inheemse bevolking. Deze groep maakte in Indië fortuin en daardoor konden hun kinderen gaan studeren. De meeste studenten gingen medicijnen studeren.

Chinese restaurants

In 1922 schreef een journalist een enthousiast artikel over de Chinese gemeenschap waar volgens deze man discipline, ordelijkheid en ondoorgrondelijkheid overheersten. In een Chinese lunchroom had hij een oosterse maaltijd genuttigd vol exotische lekkere gerechten. Veel navolging kreeg zijn culinaire uitstapje niet. Het exotische eten werd niet door iedereen gewaardeerd:

Chinese restaurants in de jaren ‘30

“Verscheidene bestanddelenwaren hier door elkaar gemengd, de hemel weet welke. Ik vroeg of ik er een glaasje bier bij kon krijgen en dat kon, maar het maakte de zaak niet beter. Het ergste was, dat ongetwijfeld met de beste bedoelingen en om ons de volle maat te geven, men het diner opluisterde met Chineesche grammofoonplaten wier gekrijsch in overeenstemming was met het diner en zelfs de allernaarste visioenen opwekte.’(Algemeen handelsblad, 15-8-1931)

Kunstenaars en studenten aten vanwege de lage prijzen wel in de Chinese eethuizen, maar de meeste klanten voor de Tweede Wereldoorlog waren zelf van Chinese afkomst.

Chinees-Indische restaurants

De klantenkring van de Chinese eethuizen breidde zich echter gestaag uit. In de jaren vijftig werd de cliëntèle uitgebreid met terugkerende Indiëgangers en Indische repatrianten die zich na de Indonesische onafhankelijkheid definitief in Nederland vestigden. Onder hen waren ook de circa 5000 Peranakan Chinezen. De Chinese ondernemers speelden op deze nieuwe doelgroep in door de Chinese en Indische keuken te vermengen en de oorspronkelijk Chinese restaurants te presenteren als Chinees-Indisch. Naast het van oorsprong Chinese gerecht babi pangang waren Indische gerechten zoals nasi goreng en saté te verkrijgen bij de Chinees.

Rotterdam maakte op grote schaal kennis met deze Chinese keuken tijdens de manifestatie Ahoy’ 1950. Het Chinese restaurant Ching Kok Low had op uitnodiging van een brouwer een eigen stand met versnaperingen ingericht. De Rotterdammers mochten nasi of bami uitproberen, maar kregen patat en karbonades, wanneer ze de oosterse gerechten niet lekker vonden.
    Chinees restaurant in het Park tijdens Ahoy’ 1950

Nederlanders naar de Chinees

Toen de welvaart toenam kregen ook Nederlanders behoefte aan exotische maaltijden. Voordelen van de Chinese maaltijden waren de lage prijzen en de forse porties, zeker na introductie van de afhaalmaaltijd. Door typisch oosterse ingrediënten te vervangen door producten die in Nederland te koop waren, werden Chinese gerechten aangepast aan de Nederlandse smaak. Niet alleen het eten, ook de inrichting van de restaurants werd in de jaren vijftig aangepast aan de Nederlandse smaak. Men ontwikkelde de ‘typisch’ Chinese stijl met donkerrode stoffen, lampionverlichting, waaiers en papieren damasten tafelkleden.

Meer restaurants

Toen bleek dat deze restaurants aansloegen bij het publiek, openden meer Chinezen een restaurant. Aanvankelijk waren voornamelijk Chinezen uit Guandong werkzaam in de horeca, later begonnen ook Chinezen uit andere streken restaurants. Er was sprake van een groeimarkt, maar de omzetten van de restaurants waren niet hoog. Men had daardoor behoefte aan goedkope en loyale arbeidskrachten. Het personeel werd, nadat de Volks Republiek China in 1949 emigratie had verboden, voornamelijk gehaald uit Hong Kong en omstreken. Er kwam een kettingmigratie op gang. De restauranthouder in Nederland trad op als sponsor voor broers, neven en vrienden die overkwamen naar Nederland om in de restaurants te gaan werken.

Integratie

Door de explosieve groei van het aantal restaurants in de jaren zestig en zeventig, van 225 in 1960 naar 1916 in 1982, groeide ook de Chinese populatie in Nederland. Tot eind jaren zestig was dit  hoofdzakelijk een mannengemeenschap. De mannen werkten hard en lang in de horeca en sliepen ergens boven of achterin het restaurant. Deze jongemannen waren meestal vrijgezel. Ze leefden zeer sober en spaarden zoveel mogelijk om een eigen zaak te beginnen of terug te keren naar China en daar een gezinsleven op te bouwen.

    Kinderen op straat rond 1930

Gezinshereniging

Economische en politieke omstandigheden in China en Nederland dwarsboomden de plannen van de Chinezen. De Culturele Revolutie in communistisch China veroorzaakte veel onrust en onzekerheid over de positie van Hong Kong. Daarom besloten vanaf 1967 veel Chinezen met een gezin in China om hun vrouw en kinderen over te laten komen. Door de kettingmigratie in het kader van de gezinshereniging groeide Chinese populatie in Nederland. De vrouw ging vaak meehelpen in het restaurant en als de kinderen oud genoeg waren, hielpen ook zij in het familierestaurant. Wanneer er genoeg geld was liet men ook de grootouders overkomen. Deze pasten dan op de kleinkinderen passen terwijl de ouders werkten.

    Chinese man achter het fornuis


Contacten met Nederlanders

De gezinshereniging brak de geïsoleerde positie van de Chinezen open en leidde tot contacten met de Nederlandse samenleving. Alle zaken en problemen, zoals huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg konden voor het eerst niet meer in eigen kring geregeld worden. Eindeloze stapels papier moesten worden ingevuld voor verblijfsvergunningen, kinderbijslag en verzekeringen. Er waren geen officiële instanties die de Chinezen begeleidden, dus hielpen ze elkaar of vroegen om raad bij een Nederlandse vertrouwenspersoon. Dit was vaak een Nederlandse vrouw die met een Chinese man getrouwd was.

Te veel restaurants

Naast deze hoofdbrekens kreeg de Chinese gemeenschap in de jaren tachtig ook te maken met een ander verschijnsel. De markt van Chinese restaurants raakte verzadigd, mede omdat er concurrentie kwam van pizza’s, hamburgers en roti. In 1978 moest er voor het eerst Chinees keukenpersoneel naar het Rotterdamse arbeidsbureau. Tegelijkertijd stroomde een nieuwe groep Chinezen het land binnen omdat na de dood van Mao communistisch China haar grenzen iets had opengezet en honderden Chinezen via Hong Kong vertrokken naar familieleden in Nederland. De Chinezen moesten steeds meer een beroep doen op het Nederlandse maatschappelijke stelsel en geleidelijk brokkelde de onderlinge saamhorigheid af.

Informeel netwerk losser

De Chinese gemeenschap viel uiteen in groepen Chinezen die zich voorgoed in Nederland wilden vestigen en groepen die in ieder geval hun oude dag nog in China wilden slijten. Daarbij begonnen jonge Chinezen zich meer Nederlands te voelen dan Chinees en kwamen in conflict met de traditionele Chinese waarden en normen. Door de lossere gemeenschapsbanden en door de groeiende problemen kon het eigen sociale netwerk van de Chinezen geen gehoor meer geven aan alle aanvragen om hulp. Veel taken die de Chinese gemeenschap eerst zelf vervulde waren eigenlijk de taak van officiële welzijnsinstellingen van de Nederlandse overheid.

Gokken

Een van die taken is hulpverlenen aan Chinese gokverslaafden. Veel Chinezen houden van gokken. Zij hebben als opvatting dat een mens nooit rijk wordt wanneer hij nooit een gokje waagt. Men gokt op  bij feestelijke gelegenheden, binnen de familie, in casino's en andere gokgelegenheden, en voor, tijdens of na het werk. Casino's, kaartclubs en Mahjonghuisjes behoren, legaal of illegaal, tot de belangrijkste ontmoetingsplaatsen. De meeste mensen die gokken verliezen niet alleen hun vermogen, maar soms zelfs hun complete bestaan. De Nederlandse hulpverlening wordt echter niet ingeschakeld. Veel Chinezen zijn bang voor gezichtsverlies en lossen het probleem liever zelf op of onderling met hun familie.

Chinese Ouderen

In de Chinese cultuur is het gebruikelijk dat Chinezen op leeftijd tot hun dood bij hun kinderen inwonen. Veel in Nederland wonende Chinezen gaan echter naar een verzorgingshuis. Door taalproblemen missen ze informatie, raken ze geïsoleerd en nemen ze geen deel aan sociale activiteiten. Een ander probleem in het verzorgingshuis is de voeding. Chinese ouderen hebben een ander voedingspatroon dan autochtone ouderen.
In 1995 is in Delfshaven een wooncomplex voor Chinese ouderen geopend. In Ka Fook Mansion wonen ongeveer 50 Chinese ouderen in 43 zelfstandige tweekamerwoningen. Het wooncomplex heeft een ouderenadviseur die een brug slaat de Chinese ouderen en de Nederlandse instellingen en een trefcentrum waar Chinezen uit de omgeving elkaar kunnen ontmoeten. Ka Fook Mansion is een groot succes en is ontstaan uit een samenwerking tussen het Chinese welzijnswerk in Rotterdam en oudere Chinezen.

Wooncomplex en trefcentrum in de Graaf Florisstraat 2005

Verspreiding in Rotterdam

In de jaren zeventig vragen Rotterdamse ambtenaren zich af hoe etnische minderheden verspreid moeten worden, want men is bang voor gettovorming. Aanvankelijk hanteert de gemeente een spreidingsbeleid: per wijk niet meer dan vijf procent buitenlanders. Later werd het quotum opgeschroefd naar 16% en spreiding veranderde in gebundelde deconcentratie. Men vergat een kijkje te nemen op Katendrecht waar al in de jaren vijftig een groot deel van de bevolking uit een etnische minderheid bestond. Eind jaren tachtig was 20% van de 2000 Katendrechtenaren Chinees. Veel Chinezen woonden toen echter al jaren elders in de stad. Tegenwoordig zijn de meeste Chinese toko’s aan de Nieuwe Binnenweg en aan de West-Kruiskade te vinden. Uit het hele land komen daar Chinezen om inkopen te doen.

European Chinese Centre

Sinds 2000 zijn er plannen om op Katendrecht een nieuwe Chinatown op te richten. Door de verdwijning van de havenfunctie uit deze wijk wordt het gebied opnieuw ontwikkeld. Het plan heeft de naam European Chinese Centre (ECC) gekregen omdat het woord Chinatown een negatieve bijklank heeft. De ‘oude’ Chinatowns waren eigenlijk ghetto’s.
Het ECC is een initiatief van Chinese ondernemers. Naast het handelsaspect van dit project speelt ook de Chinese cultuur een rol. Volgens de initiatiefnemers zullen in Katendrecht een Chinees cultureel centrum en een ware Chinese tuin verrijzen. Ook zullen er ouderenwoningen en scholen gebouwd worden, zodat de Chinese gemeenschap een eigen plek in de stad heeft, waar zorg voor elkaar gestalte kan krijgen.

Gesloten gemeenschap

De Chinese gemeenschap is relatief klein en nog steeds vrij gesloten en vanouds altijd selfsupporting. De Chinese populatie wordt door deze zelfredzaamheid niet als probleemgroep ervaren. Toch zijn er wel problemen: geïsoleerde Chinese ouderen, de kwetsbare positie van oudere vrouwen, de taalproblemen en de verzadigde horecamarkt waarvan nog altijd 80% van de Chinese gezinnen afhankelijk is. De laatste jaren besteedt de overheid meer aandacht aan de problemen van de Chinezen. De Chinese gemeenschap levert zelf ook een bijdrage aan de verbetering van hun positie. Zij treden iets meer naar buiten en stellen zich wat meer open voor anderen.

Chinees Nieuwjaar

In steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag gaat de uitbundige viering van het Chinees Nieuwjaar niet onopgemerkt voorbij. Chinees nieuwjaar wordt gevierd op de eerste dag van de maanmaand van de Chinese jaartelling. Daarom is datum steeds anders, maar wel altijd tussen 21 januari en 20 februari. Op de avond zelf moeten de kwade geesten worden verjaagd. Omdat die bang zijn voor de gelukskleur rood, voor vuur en voor lawaai, steken de mensen ontzettend veel roodgekleurd knalvuurwerk af. Op straat dansen draken en leeuwen. Kinderen hebben nieuwe kleren aan en buigen voor hun ouders die hun geluksgeld geven in rode enveloppen. Ze mogen zoveel snoepen als ze willen en ze krijgen op nieuwjaarsdag nooit straf.

Chinees Nieuwjaar West-Kruiskade 1998

Protestmars 2001

In januari 2001 heeft de grote Chinese gemeenschap in het gebied rond de West-Kruiskade bij het inluiden van het nieuwe Chinese jaar van de Slang een grote protestmars gehouden. De tocht ging naar het politiebureau in de binnenstad. De actie moest de aandacht vestigen op de doorlopende, tegen hen gerichte terreur van criminelen. Vooral illegale Chinezen in Rotterdam vallen ten prooi aan misdadigers die weten dat hun slachtoffers door hun illegale status niet naar de politie zullen stappen. Sinds deze protestmars is de Chinese gemeenschap wat meer betrokken bij haar directe leefomgeving. Zij werkt nu ook mee aan het veiliger maken van de omgeving rond de West-Kruiskade.


Erkenning etnische minderheid

De Chinese populatie vormt al negentig jaar een minderheid in Nederland. In 1984 verenigden de Chinezen zich in de Stichting Chinese Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk en maakten zich sterk om erkend te worden als etnische minderheid. Representatie van de groep was moeilijk omdat de Chinezen zeer verspreid over Nederland wonen. De stichting organiseerde meerdere ontmoetingsdagen om de contacten tussen Nederlanders en Chinezen te verbeteren en om te worden opgenomen in het Nederlandse culturele minderheden beleid. Op 1 januari 2004 zijn de Chinezen eindelijk erkend als etnische minderheid. Vanaf deze datum zijn zij vertegenwoordigd in het Landelijk Overleg Minderheden en kunnen zij beroep doen op voorzieningen en subsidies waar andere minderheden ook recht op hebben.

Kirsten Blok en Corinne Boeijinga